De jonge Jetses: 2. Werken en leren, mooie combinatie

Artikelenserie - De jonge Jetses

Cornelis Jetses is bij velen bekend als de illustrator van schoolplaten en leesboekjes, maar zijn werk is het resultaat van een lange weg van leren, werken en bewuste keuzes. Achter de ogenschijnlijk eenvoudige en herkenbare beelden gaat een leven schuil waarin onderwijs, ambacht en internationale ervaring een centrale rol spelen.

In deze artikelenserie van Frits Maas volgen we Cornelis Jetses in zijn ontwikkeling als maker. Van zijn vroege opleiding aan Academie Minerva, via zijn werk in de drukkerij en zijn ervaringen in Duitsland, tot zijn uiteindelijke keuze voor het illustreren van onderwijsboeken. Elk artikel belicht een fase waarin Jetses zich verder vormt – als kunstenaar, als vakman en als illustrator die generaties kinderen zou bereiken.

2. Werken en leren, mooie combinatie

Liefst negen jaar blijft Cornelis Jetses als avondleerling op de Kunstacademie Minerva. Een goede school, een voornaam instituut, met wortels tot in 1798. Jetses belandt er in 1885. Hij krijgt er onder meer les van de kunstschilder F.H.Bach. Die zou in zijn lange loopbaan bij de academie tal van later bekende kunstenaars begeleiden. Een daarvan is dus Cornelis Jetses. Een andere een studiegenoot van Jetses, de latere politiek-tekenaar Albert Hahn. Bach zelf is erg productief en werkt op een breed vlak. Zo verzorgt hij een aantal mozaïeken in het prachtige stationsgebouw van Groningen en staat hij mede aan de wieg van het modernistische kunstenaarscollectief De Ploeg.

In zo’n milieu kan Jetses goed gedijen. Zijn baan overdag bij drukkerij Casparie brengt hem in contact met heel verschillende mensen, bedrijven en instellingen. Zij merken al gauw de tekengaven van de nog jonge Jetses op. Dat brengt op den duur wat eigen, particulier werk: opdrachtjes voor tekeningen. Het gaat om nieuwjaarskaarten, drukwerk voor de viering van een lustrum van de Groninger universiteit, materiaal voor de (kerkelijke) Waalse Gemeente. Ook studenten die gaan promoveren, komen bij Jetses langs. Zij vragen hem promotieplaten te maken: speelse, beeldende voorstellingen, waarin het onderwerp van het proefschrift op humoristische wijze wordt verbeeld. Deze opdrachten voert Jetses met enthousiasme uit. Ze leveren hem niet alleen inkomsten op – tien gulden per plaat, een aanzienlijk bedrag voor de jonge tekenaar – maar ook erkenning. Voor het eerst wordt hij aangesproken als ‘meneer Jetses’.

Lange tijd is het een herhaling van zetten. Er komt geld binnen via het salaris als jonge medewerker van de drukkerij. Er zijn wat inkomsten via particulier tekenwerk. Beide gebruikt Jetses om zijn studie te betalen. En er is een afdracht aan het gezin, geld voor thuis. Tegelijkertijd is er de opbouw van kennis en ervaring bij Minerva en de drukkerij. Een mooie combinatie dat alles, werk en leren in één hand.

Langzaam komt in de jaren na 1890 het beeld op van een Jetses, die méér dan een talent, een belofte is. Nee, rond de twintig jaar inmiddels, is hij volwassen en klaar als vakman. Niet alleen als lithograaf in de drukkerij, maar ook als tekenaar voor welke opdracht dan ook. Als tekenaar blijkt hij vaak meer de handwerksman, dan een kunstenaar met grootse ideeën en vergezichten. Jetses beschikt over een prettig soort dienstbaarheid en bescheidenheid. Voor menigeen mooie eigenschappen. Ongetwijfeld ook voor Albertine Holkamp, die in 1899 met hem trouwt. Het stel krijgt een dochter, Everdina. Zij groeit op in een harmonisch milieu, waarin ondanks alle drukte bij het werk van vader, ruimte was voor godsdienst, muziek en humor.