Wat wil jij later worden? Aanspreker!

“Wat wil jij later worden?”, vragen we aan kinderen. Als antwoord krijg je dan: politieagent, brandweer, superheld, leraar, dokter, profvoetballer, YouTuber of misschien nog wel een prins(es) of koning(in). Het is moeilijk te bedenken dat er vroeger eigenlijk geen keuze was in wat je wilde worden. Wanneer je ‘groot’ was ging je hetzelfde beroep doen als jouw ouders. Grote kans dat die geen profvoetballer, superheld of YouTuber was.

In de collectie van prof.dr. Jo Thijssen vinden we prenten over beroepen, die in de 19e eeuw nog heel normaal waren. Platen om ‘het volk’ – en voornamelijk de kinderen – te onderwijzen over de verschillende soorten beroepen; wat ze doen en wat de namen van deze beroepen zijn.

Op deze platen komen allerlei beroepen voorbij die we tegenwoordig ook nog kennen. Beroepen die je makkelijk kan uitleggen, omdat het nog steeds normale beroepen zijn zoals een kok, een visser of een bakker. Een kind kent vast ook nog wel een beeldhouwer of een jager. Andere beroepen zijn niet meer zo bekend, maar er zijn vast nog enkele mensen die dit doen. Kennen jullie nog horlogemakers, een smid of mandemakers? Dan zijn er ook nog beroepen die we eigenlijk helemaal niet meer kennen. Wie weet nog wat een ‘wieldraaijer’ is? Een ‘olywerker’? Wat doet een ‘aanspreker’, ‘kakenter’ of een ‘woekeraar’?

Zelf zou je nog kunnen beredeneren dat een stoelenmatter vroeger nodig was om het riet te vlechten in het zitvlak van stoelen. Een aanspreker was iemand die vroeger nabestaanden kwam vertellen dat iemand was overleden. Dit beroep is nog tot na de Tweede Wereldoorlog uitgeoefend. Een goudslager werkt met goud, maar smelt het niet. De goudslager slaat of plet alleen het goud. Een wieldraaijer werkte op de lijnbaan en draaide aan een wiel om touwen op te rollen. Zou je je nog kunnen voorstellen dat je dit de hele dag zou doen? En als laatste is een woekeraar iemand die geld uitleent en het terugvraagt met een hoge rente. We hebben het woord ‘woekerrente’ hieraan overgehouden.

De makers van de prenten hebben hun best gedaan om de plaat op te vullen. De platen lijken over beroepen te gaan. Dan lijken sommige plaatjes wel verdwaald te zijn. Zo staat er ook een plaatje van een rover in. Op de andere plaat zie je ook woorden zoals ‘uitzinnigheid’, ‘gek’ en ‘Engelschman’ voorbij komen. Waren dit vroeger wel beroepen? Of moesten de makers gewoon de hele plaat vullen? Wat zou jouw verklaring zijn?

Collectie Nationaal Onderwijsmuseum | Deelcollectie Jo Thijssen

Door: Jetske Steenstra, medewerker afdeling collectie en onderzoek Onderwijsmuseum