De jonge Jetses - 1. een ventje dat aardig kan tekenen.
Artikelenserie - De jonge Jetses
Cornelis Jetses is bij velen bekend als de illustrator van schoolplaten en leesboekjes, maar zijn werk is het resultaat van een lange weg van leren, werken en bewuste keuzes. Achter de ogenschijnlijk eenvoudige en herkenbare beelden gaat een leven schuil waarin onderwijs, ambacht en internationale ervaring een centrale rol spelen.
In deze artikelenserie van Frits Maas volgen we Cornelis Jetses in zijn ontwikkeling als maker. Van zijn vroege opleiding aan Academie Minerva, via zijn werk in de drukkerij en zijn ervaringen in Duitsland, tot zijn uiteindelijke keuze voor het illustreren van onderwijsboeken. Elk artikel belicht een fase waarin Jetses zich verder vormt – als kunstenaar, als vakman en als illustrator die generaties kinderen zou bereiken.
1. Een ventje dat aardig kan tekenen.
Talent krijg je aangewaaid, geschonken. Voor vakmanschap moet je leren, knokken. Voor Cornelis Jetses ( 1873-1955) was dat zeker het geval. Bij hele generaties was hij bekend, zo niet beroemd, als illustrator van leesplanken, school- en leesboekjes en wandplaten. De door hem getekende Ot en Sien gingen vele jaren mee in de jeugdliteratuur voor de allerjongsten. Maar het kwam allemaal niet vanzelf.
Het talent van Jetses wordt al relatief vroeg opgemerkt. Misschien nog niet eens thuis in de stad Groningen. Daar is in menig opzicht nauwelijks ruimte voor creativiteit. Het gezin is weinig bevoorrecht. Het huist in krappe, vochtige woningen. Er is kindersterfte. Het gezin moet het doen met een zeer bescheiden inkomen van vader, die pakhuisknecht is. Netjes, fatsoenlijk is het wel. Dat moet de onderwijzer van de lagere school ook hebben opgemerkt. Hij ziet, dat Cornelis altijd met schetsen, tekenen bezig is. En dat het jonge ventje dat heel aardig kan. Een reden om hem in die richting verder te helpen, te stimuleren.
Een vervolgopleiding voor de jonge Cornelis blijkt aanvankelijk door geldgebrek niet haalbaar. Hij gaat op z’n dertiende al werken bij een steendrukkerij. Daar is hij aanvankelijk vooral manusje-van-alles. Maar na een overstap naar een tweede drukkerij krijgt hij geleidelijk toch beter zicht op materialen, het omgaan met kleuren en met grafische processen. Iets dat hem later een voorsprong geeft op collega-illustratoren.
De heel jonge Jetses werkt ook om bij te dragen in zijn studiekosten. Die studie komt er. En wel aan de Academie Minerva te Groningen. Zij wordt mede betaald door het Fonds ter Ondersteuning van Jongelieden. Getalenteerde, maar financieel weinig bevoorrechte jongeren kregen via dit particuliere fonds een steuntje in de rug. De combinatie van leren en werken zou een aantal jaren het dagelijks leven van de jonge Cornelis beheersen. Overdag werkt hij in de drukkerij, ’s avonds volgt hij lessen aan de academie. Op Minerva leert hij tekenen naar model en ontwikkelt hij zijn technische vaardigheden. Hij wint meerdere prijzen bij academiewedstrijden. Daaronder een penning voor een studie van een zittend naaktmodel – werk dat sterk contrasteert met de wat brave illustraties, waardoor hij later bekend zal worden.
Er blijken meer contrasten. De vroege jeugd van Jetses verschilt nogal van de leefwereld, die hij op den duur aan kinderen en volwassenen voorschotelt. Die wereld is, naar de aard van de tijd, veelal eenvoudig en sober. In het werk van Jetses komt daar echter een deken van schoonheid, blijheid en vrede overheen. Zelden duikt in ieder geval de diepe armoede op, die eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw toch al te vaak gangbaar is. Jetses blijkt daarbij dienstbaar aan de pedagogen van zijn tijd. Die vinden dat je jonge kinderen vooral toch met een ongeschonden wereld moet confronteren. Het Jeugdjournaal bestaat nog niet.

