Inktsporen

Tot halverwege de twintigste eeuw was schoolinkt de benzine waarop de onderwijsmotor draaide. Inktfabrikanten kochten bij cafés en restaurants partijen lege champagne- en wijnflessen op, die ze vulden met schoolinkt. Op de flessen plakten ze een etiket met hun eigen bedrijfsnaam. ‘Folmer’s schoolinkt. Per 100 wijnflesschen f 17,= ’ en honderd liter voor twaalf gulden, aldus een advertentie uit 1888. Schoolinkt, honderd liter?

Vandaag de dag kunnen we het ons niet meer voorstellen, maar in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw was schoolinkt de benzine waarop de onderwijsmotor draaide. Leerlingen en leerkrachten schreven met kroontjespennen. Het klassikale gekras van ijzeren pennetjes op gelinieerd papier was een vertrouwd geluid tijdens dictees en proefwerken. De pennetjes werden gedoopt in glazen of porseleinen inktpotjes die in de tafelbladen van schoolbanken verzonken lagen – met een afdekschuifje, zodat er geen stof of vuil in kon dwarrelen.

Onderzoek naar risico’s

Het zwarte ding dat ik in mijn handen heb is geen kunstobject, maar een ‘inktbak’: een praktisch, alledaags gebruiksvoorwerp om schoolinktpotjes te vullen. Een dienblad met opstaande randen waarop een losse houten plank met vijftig ronde gaten ligt; in ieder gat past een inktpotje. Zonder al te veel te kliederen kon de juf of meester – of een leerling met vaste hand – de potjes vullen en daarna uitdelen. ‘Niet tot de rand vullen!’ luidde de dringende boodschap, omdat anders bij het indopen van de pen de vingertoppen vies werden.

Inkt en schoolhygiëne was een apart thema. In negentiende-eeuwse schooladvertenties werd gegarandeerd dat de aangeboden inkt niet giftig en niet schimmelend was. Leerlingen, zeker de allerjongsten, staken hun met inkt besmeurde vingertjes nog weleens in de mond. Om maar te zwijgen van kleine wondjes aan hand of vingers, waarlangs de schoolinkt het lichaam zou kunnen binnendringen. Het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde wees er in 1897 op dat roestige pennetjes infecties en bloedvergiftiging konden veroorzaken. En na grondig onderzoek bleek dat er in alle inktsoorten schimmels en bacillen waren aangetroffen. De inktonderzoeker adviseerde met het oog op dit gevaar de inkt door koken te steriliseren.

Veel schoolbanken in de collectie van het Onderwijsmuseum vertonen inktsporen. Gemorste inkt drong uiteindelijk diep door in het uitgeboende, glanzende hout van het tafelblad. De verplichte, door moeders gemaakte inktlapjes – op elkaar genaaide stukjes katoen of zeemleer, bijeengehouden door een oude knoop – waarmee de pennetjes werden schoongepoetst, werden vaak snel vies. Dat gold ook voor de jurkjes en broeken waaraan scholiertjes hun plakkerige, met klodders inkt besmeurde handjes afwreven. Niet voor niets beloofden schoolinktadvertenties ook dat inktvlekken op kleding met kokend water en zeep als sneeuw voor de zon zouden verdwijnen. Van krimpende kleding hadden de advertentiemakers kennelijk nog nooit gehoord. Zwoegende moeders wisten wel beter: inwrijven met citroensap of laten weken in een lauw sopje van Sunlight-zeep.

Machineschrijven

Schrijfonderwijs was voor generaties schoolkinderen een kwelling. Schrijfster en oud-onderwijzeres J. Riemens-Reurslag voorspelde in haar boek De nieuwe zakelijkheid in opvoeding (1932) iets wat nu werkelijkheid is geworden: ‘machineschrijven’ – iPad en laptop zijn de moderne typemachines – zal het schrijfonderwijs verdringen. Zelfverzekerd noteerde ze: ‘Schrijven is wel een van de allermoeilijkste oefeningen voor de kleine hand; in de toekomst wordt begonnen met machineschrijven; op deze leeftijd geleerd, verleert de hand de spierbewegingen nooit. Pas daarna komt het schrijven met de pen.’ 


Jacques Dane is hoofd collectie en onderzoek van het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht. 

Deze column verscheen in Didactief, juni 2021. Zie ook: Schrijven is meters maken.