4 mei

Twee toonaangevende auteurs die de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog in een reeks kinderboeken vastlegden en levend hielden, waren Anne de Vries (1904-1964) en Piet Prins (1909-1985; pseudoniem van politicus Pieter jongeling). De Vries schreef met zijn vierdelige reeks “Reis door de nacht” – verschenen bij de Nijkerkse uitgeverij Callenbach in de periode 1951-1960 – een papieren monument voor het verzet, dat  tientallen jaren lang herdrukt werd (voor het laatst in 2012) en in veel schoolbibliotheken op de plank stond. In het spoor van De Vries produceerde Prins een eveneens  vierdelige reeks, “Holland onder het hakenkruis” (1961). Oók een papieren standbeeld voor het verzet, waarin de voorman van het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) zijn reformatorische levensbeschouwing in een spannend oorlogsverhaal voor schoolkinderen verwerkte.

Beide boeken werden indertijd door recensenten als ‘spannend’ omschreven. Prins kreeg zelfs het verwijt dat zijn boeken misschien ‘te spannend’ waren. Hij pareerde deze kritiek door te stellen dat kinderen graag spannende boeken lezen: ‘Ik weet het, je mag niet overdrijven in een jeugdboek, maar een kind leest toch graag iets waaraan het zich kan optrekken. Aan “de held van het verhaal” wil hij toch ook een beetje het voorbeeld nemen en zeggen: “Ja, zo zou ik ook willen worden. Zo dapper, zo flink”’ (“Nederlands Dagblad”, 1 maart 1978).

Dappere vrouwen en mannen
In “Reis door de nacht” en “Holland onder het hakenkruis” wemelt het van de dappere mannen en vrouwen. Liquidaties, het stelen van bonkaarten, het plegen van overvallen, ontsnappingen uit gevangenschap, hulp aan Joden – alle dappere verzetsdaden uit de Tweede Wereldoorlog passeren de revue. De meeste recensenten waren zeer tevreden met de romancyclus van De Vries. Het “Utrechts Nieuwsblad” (11 mei 1958)  benadrukte dat de auteur er in geslaagd was de sfeer van de oorlog terug te halen: ‘Je kunt na  het lezen ervan iets begrijpen van wat ouderen bezielt wanneer zij in mei feest vieren en tegelijk de slachtoffers van het verzet eren.’ De functie van “Reis door de nacht” was dat schoolkinderen zich beter in de laatste oorlog ‘kunnen inleven en meer en meer begrijpen van de stilte en de droefheid, die elk jaar om 4 mei hangt’ (“Leidersblad – Orgaan van de bond van Ned. Herv. Knapenvereniging op Gereformeerde Grondslag”, mei 1958).

“Holland onder het hakenkruis” was een boek dat buiten orthodox-gereformeerde kring nauwelijks werd opgemerkt. Desalniettemin is het boek een “long seller”: in 2017 verscheen nog een herdruk. In het “Gereformeerd Gezinsblad” (23 december 1961) noteerde de recensent dat de jongens en meisjes het boek ‘ademloos’ zullen lezen en ervan zullen ‘smullen’. Voor orthodoxe kring zijn dit bijzondere loftuitingen:

‘Smullen’ en ‘ademloos lezen’: op het eerste gezicht zijn dit geen woorden die meteen geassocieerd worden met kinderboeken uit de verzuilde protestants-christelijke hoek. Wat was het christelijke element – de christelijke meerwaarde – van “Holland onder het hakenruis” en “Reis door de nacht”?

1940-1945 – Een godsdienstoorlog?
Het “Gereformeerd Gezinsblad” (11 juni 1958) schreef dat De Vries in “Reis door de nacht” aantoont hoe God het Nederlandse volk uit deze donkere periode heeft gered. Enkele jaren later schreef dezelfde krant  over Prins’ romancyclus: ‘Ze (de jeugd, JD) zullen in “Holland onder het hakenkruis” óók lezen van de verlossende hand des Heeren, van hulp en uitredding die Hij ons volk wou schenken’ (“Gereformeerd Gezinsblad”, 23 december 1961).

Tussen de spannende verhalen door verwerkten De Vries en Prins tal van Bijbelse motieven die hadden bijgedragen tot het plegen van verzet tegen de nazi’s. Een van de personages in “Reis door nacht”, een diepreligieuze man, verwoordt dit zeer pregnant, als hij in de meidagen van ’40 de ondergang van nazi-Duitsland voorspelt:

‘Hitler gaat eran, zo wis als ik hier voor je sta. Hij zal misschien de halve wereld veroveren, maar dan gaat hij eran. Bedrog en onrecht, kan dat ooit bestaan…? Dan moest er geen God in de wereld wezen!’ (“Reis door de nacht”, Nijkerk 2001 [26ste druk], blz. 13-14)

De Vries verwoordde het Bijbelse element in zijn romancyclus via de stem van zijn personages, maar hij hoedde zich ervoor een prekerige toon aan te nemen. Prins daarentegen nam vaker een preektoon aan en voerde een dominee op:

‘Als we in oorlog leven, zoals nu, dan worden de mensen bang en wordt er weer veel over het naderende wereldeinde gesproken. Maar wie Christus’ discipel is, moet niet vrezen. Al deze dingen moeten eerst gebeuren, maar ze betekenen nog niet direct het einde. […] wie volhardt in het geloof en de liefde voor Jezus, ook als het zwaar wordt, die zal zalig worden. Want onverwachts zal Hij komen, tot verlossing van Zijn volk, dat Hij voor eeuwig gelukkig zal maken.’ (“Holland onder het hakenkruis”, Barneveld 2005 [5de druk], blz. 70-71)

Beide boeken bevatten tal van verwijzingen naar de Bijbel. De hoofdpersonen zingen naast het Wilhelmus samen psalmen, lezen uit Gods woord en bidden tot Hem om hulp en verlossing.

Piet Prins beschouwde de oorlog niet als een op zichzelf staande historische gebeurtenis. Hij plaatste de periode 1940-1945 in een historische continuïteit, waarin het woord van de Bijbel en vaderlandse geschiedenis elkaar aanvullen. In Holland onder het hakenkruis vindt een molenaar hier zelfs troost in:

‘In de Spaanse tijd hebben in dit land de brandstapels gerookt en de schavotten hebben gedropen van het bloed. Maar de Heere schonk een verlosser in de Prins van Oranje. Hij verhoorde vele gebeden en gaf tenslotte volkomen uitkomst. En later verloste Hij dit volk uit de Franse overheersing. Hij redde het telkens weer, hoewel Hij het ook strafte om zijn zonden.’ (“Holland onder het hakenkruis”, Barneveld 2005 [5de druk], blz. 70-71)

Afsluiting
Zowel Anne de Vries als Piet Prins slaagden er volgens de meeste recensenten in de Tweede Wereldoorlog op een spannende en tegelijkertijd informatieve en verantwoorde manier in respectievelijk “Reis door de nacht” en “Holland onder het hakenkruis” te verwerken. Als ‘herinneringsmakers’ bepaalden zij in de naoorlogse decennia het beeld van de Tweede Wereldoorlog dat de Nederlandse jeugd in protestants-christelijke kring via hun werk voorgeschoteld kreeg. In het kielzog van de memoires en gedenkboeken voor volwassenen die kort na de bevrijding verschenen, verwerkten ook zij de Bijbelse boodschap in hun werk en maakten van de Tweede Wereldoorlog een godsdienstoorlog. Het was een Godswonder, een Godsgeschenk, dat deze oorlog ophield, of zoals De Vries het omschreef: ‘[…] de reis door de nacht van oorlog en angst en verschrikking was voorbij! En ze voelden het allen als een wonder dat ze de nieuwe dag beleven mochten’ (“Reis door de nacht”, blz. 483).

--------

Verder lezen:

Jacques Dane, ‘”De onrechtvaardige zal zijn eigen ziel doden…” Over de ontstaansgeschiedenis, waardering en protestantse traditie in Anne de Vries’ verzetsroman Reis door de nacht (1951-2001).’ In: Jacques Dane & George Harinck (red.),  “Bouwsel voor 't leven.” De traditie van de protestantse kinderliteratuur, 1700-heden (Meinema: Zoetermeer, 2003) 115-132.

Jacques Dane, ‘Holland onder het hakenkruis. Pieter Jongeling als kinderboekenschrijver over de Tweede Wereldoorlog.’ In: George Harinck en Ewout Klei (red.), Pieter Jongeling. Boegbeeld van de vrijgemaakte wereld (De Vuurbaak: Barneveld, 2011) 19-34.

Jacques Dane & George Harinck, ‘De Tweede Wereldoorlog’. In: George Harinck e.a. (red.). Het gereformeerde geheugen. Protestantse herinneringsculturen in Nederland (1850-2000) (Bert Bakker: Amsterdam 2009) 307-316.

Jacques Dane, ‘”Reis" houdt herinnering levend’. In: “Trouw”: 5 mei 2004.