Veelgestelde vragen
Door de jaren heen hebben we al heel veel vragen gekregen over de meest uiteenlopende onderwerpen. Vragen die we vaak krijgen, hebben we op een rijtje gezet met daarbij de antwoorden. Mocht je vraag en antwoord er niet bij staan, dan kun je deze uiteraard altijd mailen naar info@onderwijsmuseum.nl.
1. Voor school moet ik onderzoeken hoe het onderwijs tijdens de Tweede Wereldoorlog was. Weet u misschien een paar goede bronnen?
Voor jouw onderzoek zou je heel goed gebruik kunnen maken van het boek: J.H. Meijssen (red.) (1976) Lager onderwijs in de spiegel der geschiedenis. 175 jaar nationale wetgeving op het lager onderwijs in Nederland, 1801-1976. Den Haag, Staatsuitgeverij. (ISBN 9012010799) Op blz. 181-206 staan allerlei gegevens over het onderwijs tijdens de Tweede Wereldoorlog.
2. Waar komt het schoolbord vandaan?
De intrede van het schoolbord hangt nauw samen met de invoering van het klassikaal onderwijssysteem aan het begin van de 19de eeuw. In die tijd werd dat met de woorden ‘De nieuwe leerwijze’ aangeduid. Aan het eind van de 18de eeuw komt het gebruik van het ‘zwarte bord’ in zwang als met de eerste klassikale onderwijsmethode wordt geëxperimenteerd. Het simpele feit dat met het klassikale systeem meer kinderen tegelijk les krijgen vraagt om een praktisch hulpmiddel waarop geschreven kan worden en dat toch voor alle kinderen zichtbaar is.
De komst van het schoolbord heeft ook gevolgen voor de inrichting van het lokaal. In de eerste provinciale en gemeentelijke verordeningen wordt opgenomen dat de zwarte borden duidelijk zichtbaar voor de leerlingen aan de ‘werkmuur’ dienden te worden opgehangen. Aan het begin van de 20ste eeuw heeft het schoolbord vrijwel de gehele werkmuur in beslag genomen. Er zijn rond die tijd vele verschillende modellen verkrijgbaar, zo zijn er horizontaal verschuifbare borden, verticaal verschuifbare borden, verrijdbare borden, opklapbare borden en losse borden op ezels.
Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen op de meeste scholen de grote houten schoolborden en worden deze vervangen door borden op een stalen frame die doormiddel van een veer- of schuifmechanisme konden worden bewogen. Ook tegenwoordig wordt op veel scholen het schoolbord nog intensief gebruikt, maar het smartboard is in opkomst en dreigt het te winnen van het krijtbord, zeker in de toekomst.
3. Hoeveel weken hadden kinderen rond 1900 zomervakantie?
In de lager onderwijswet 1878, artikel 21 staat dat de regeling van vacantiën zal geschieden door het hoofd der school en, zoo de regeling voor meerdere scholen gelijkelijk werkt, door de hoofden der scholen gezamenlijk, onder goedkeuring van burgemeester en wethouders en van den districtsschoolopziener.
Het vaststellen van de lengte der vakanties rond die tijd is lastig. Een en ander was nog niet centraal geregeld zoals tegenwoordig. Zoals in de lager onderwijswet te lezen is, konden schoolhoofden zelf de vakanties vaststellen. Er was wel instemming van een schoolopziener en/of gemeentebestuur nodig. Men wist toen eenvoudigweg nog niet of, en zo ja hoelang, het kind vakantie nodig had.
4. Hoe kom ik aan informatie over Ot en Sien?
We hebben natuurlijk de nodige boekjes van Ot en Sien (voorheen: Nog bij moeder), ook boekjes die bestemd waren voor Nederlands-Indië. Deze zijn niet uitleenbaar, maar wel ter inzage en te kopiëren. Hiernaast verkopen we in onze museumwinkel vele soorten illustraties: beloningskaartjes, zeer grote ansichtkaarten, stickervellen en gewone ansichtkaarten. Ook is er een tentoonstellingscatalogus, aangezien we in het verleden een tentoonstelling over Ot en Sien hebben gemaakt. Hier staan mooie afbeeldingen en een interessante tekst in.
Verder zijn er ook een aantal boeken geschreven over Ot en Sien, bijvoorbeeld: J.A. Niemeijer (1997) Kijk, Ot en Sien: een klassieker in de Nederlandse jeugdliteratuur. Baarn, Callenbach.
5. Heeft u informatie over de school van vroeger en heeft u daar informatie over?
Wij krijgen vaak deze vraag, daarom hebben onder het kopje EDUCATIE / lessuggesties informatie en afbeeldingen staan die kunnen helpen bij het maken van je werkstuk.
6. Ik wil mijn profielwerkstuk maken over het verschil tussen onderwijs van nu en onderwijs in de jaren ’30. Heeft u misschien literatuursuggesties?
N. Bakker, J. Noordman, M. Rietveld-van Wingerden (2006) Vijf eeuwen opvoeden in Nederland. Idee en praktijk: 1500-2000. Assen, Koninklijke Van Gorcum.
B. Eisenga. Feit en beeld. Geïllustreerde jaartallen voor het lager onderwijs. Rotterdam, Nijgh & Van Ditmar.
J.H. Meijsen (red.) (1976) Lager onderwijs in de spiegel der geschiedenis. 175 jaar nationale wetgeving op het lager onderwijs in Nederland 1801-1976. ’s-Gravenhage, Staatsuitgeverij.
P. van Hees (1991) ‘De status quo of vernieuwing? Het onderwijs in Nederland tijdens het interbellum’. In: Spiegel Historiael. Maandblad voor geschiedenis en archeologie. Vol. 26, p. 403-409, 415.
P.J. Groenewald (1989) ‘Bijzonder en openbaar onderwijs in Nederland. De lagere scholen in het interbellum’. In: Spiegel Historiael. Maandblad voor geschiedenis en archeologie. Vol. 24, p. 422-426, 447.
7. Waar komt de naam Mammoetwet vandaan?
De Mammoetwet- de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) - werd in 1963 door de Eerste Kamer geloodst en trad in 1968 in werking. De WVO zorgde voor grote veranderingen en vernieuwingen in het onderwijs.
De naam 'Mammoetwet' is niet de officiële naam. Het ARP-Kamerlid Anton Bernhard Roosjen (1894-1978) had heel wat bedenkingen tegen de wet van minister Jo Cals en sprak gekscherend over de nieuwe wet die een 'mammoet' zou zijn. Roosjens zou gezegd hebben "laat die Mammoet maar in het sprookjesleven voort bestaan".
![]()
Spotprent over de Mammoetwet (vraag 7).


