Schoolplatenmaker H.J. van Lummel (1815-1877)
De negentiende-eeuwse Utrechtse onderwijzer Hendrik Jan van Lummel (1815-1877) verwierf landelijk bekendheid met zijn schoolplaten voor het klassikaal aanschouwelijk onderwijs.
In zijn studie Korte schets der opvoedingsleer voor kwekelingen en aankomende onderwijzers (1868) legde hij uit, dat de mens via zijn kennis- of aanschouwingsvermogen voorstellingen en gewaarwordingen ontvangt. In de opvoeding is dit vermogen van groot belang, omdat ‘de juistheid onzer begrippen afhankelijk is van de juistheid onzer aanschouwing’. Dit vermogen, aldus Van Lummel, ‘wordt versterkt en geoefend door vele voorwerpen ter aanschouwing te geven en door deze voorwerpen nauwkeurig te doen gadeslaan’.
In zijn tot in het begin van de twintigste eeuw herdrukte Beknopte handleiding behoorende bij de platen voor het klassikaal aanschouwelijk onderwijs (1857) raadde hij meesters en juffen aan een les altijd goed voor te bereiden, af te dalen tot het kind en vooral niet te veel tegelijk willen onderwijzen: ‘Denkt altijd dat het onderricht niet dienen moet om uwe geleerdheid aan den dag te leggen, maar om kinderen wijzer en beter te doen worden.’
In de handleiding bij de schoolplaten komt deze pedagogisch-didactische instelling goed naar voren. Stap voor stap, zo is Van Lummels advies, dienen de leerlingen bekend gemaakt te worden met alledaagse onderwerpen als huisraad, timmermansgereedschap, de bakker, de slager en het paard.
Bij de schoolplaat waarop ‘een fiksche vette koe’ staat afgebeeld ‘die zoo juist geslacht is’, schrijft hij: ‘Nu dat vleesch ziet er wel smakelijk uit, maar ik zou er toch niet gaarne zóó in happen. Rauw vleesch is niet gezond en ook niet smakelijk.’ Naast deze schoolplaten ontwierp Van Lummel ook afbeeldingen met een zuiver morele strekking: naarstigheid (vlijt, arbeidzaamheid), milddadigheid, onvoorzichtigheid, snoepzucht en slordigheid.
Bij de plaat milddadigheid
‘Daar ginds om den hoek bij de hek van den buitenplaats, zit een arme man; hij is blind en om zijne rechterhand heeft hij een’ doek, net of hij zich erg bezeerd heeft. Ik zou hem zo graag het dubbeltje geven, dat ik verleden week van mijnen neef gekregen heb; mag ik dat doen?’
Bij de plaat onvoorzichtigheid
‘Zoo kan men door onvoorzichtigheid zich zelven en anderen, benadeelen, en daarom, lieve kinderen! Weest toch voorzichtig, ziet altijd goed voor u, en denkt bij alles, wat gij doet, dan zult gij voor vele ongelukken bewaard blijven.’
Bij de plaat snoepzucht
‘Nu was hij gelukkig van zijne snoepzucht genezen. Hij streed tegen dit verderfelijk kwaad, en bad den Heer, dat die hem wilde helpen. En die zoo van harte bidt, wordt ook geholpen. Hij leerde zijn verderfelijke gewoonte afleggen, en werd nog een’ matige en gezonde jongen.’
Bij de plaat slordigheid
‘De slordigheid is eene zonde, die men jegens zich zelven begaat; men berooft zich van tijd en van genoegen, en wordt alzoo een dief van zich zelven. Orde moet in er alle zaken zijn. […] De goede God wil dat ook, daarom heeft hij ons laten zeggen: dat alle dingen met orde geschieden.’
![]()
milddadigheid
![]()
onvoorzichtigheid
![]()
snoepzucht
![]()
slordigheid


