Schoolplaat 'Herfst'
Vanaf de negentiende eeuw is de afwisseling der jaargetijden een vast onderdeel van het lesprogramma op de lagere school. Wat is het kenmerkende van de winter, de lente en de zomer?
In de handleiding bij de schoolplaat “Herfst” (1891) wordt uitgelegd hoe een appelboom het beste geplukt kan worden, waarom het in dit jaargetijde goed vliegerweer is (het gras is gemaaid, het korenveld geoogst, zodat de vlieger niet kwijtraakt of kapot gaat).
“De herfst is voor den mensch een goede tijd. De boer en de veldarbeider hebben het vooral druk. (Aangename drukte.) Maar niet alleen zij, alle menschen moeten zorgen voor de winterprovisie.”
Herfst is ook het jaargetijde van de jager en zijn hond. Met zijn scherpe reuk spoort de hond het wild op: eenden, hazen, patrijzen en veldhoenders.
In dit jaargetijde kondigt de winter zich soms al aan: “Guur weer. Dikwijls vriest het ’s nachts. Ook een enkel maal ziet men de eerste sneeuwvlokken naar beneden dwarrelen.” Maar op deze schoolplaat is het voor altijd “een schoonen herfstdag”.